Lady Moonlight

Een forum voor echte goths.


Je bent niet ingelogd. Log in of registreer je

Een hoofdstuk uit mijn boek

Ga naar beneden  Bericht [Pagina 1 van 1]

1 Een hoofdstuk uit mijn boek op di maa 23, 2010 12:44 pm

Voor zij die zin hebben in iets leuks om te lezen.

Op een heuveltje omgeven door weides met her en der boompjes, struiken en kreekjes met stenen bruggetjes erover bevond zich een dorp, Kas genaamd. Diens huizen van een verfijnde stenen architectuur, sommige huizen wel drie verdiepingen hoog en her en der parkstroken en in het midden een stads plein met een fontein en op het hoogste deel van de heuvel, als het hoofd van het dorp, stond een flink landhuis,van buitenaf al voorzien van veel status, waaronder sierlijke heggen om een fraai zicht erop te combineren met een afscherming voor ogen die niet alleen van het uitzicht genieten. In het landhuis woonde de Dorps Heer, geen ware functie, maar wel een erfenis met een flinke status welke alleen in invloed word overtroffen door de kerk en de militaire post die aan het andere uiteinden van het dorp tegenover elkaar stonden, binnen het driehoek van deze drie belangrijke gebouwen leek het dorp zich te beperken in zekere luchtige maten. De Kerk van dit dorp stond bekend om zijn eerbiedwaardige senioren leden en de leger post om enkele doorslaggevende bevelhebbers in oude oorlogen, die hier hun dienst begonnen.
In het landhuis woonde al eeuwen lang een rijke familie met veel bediendes, in sommige tijden waren het eerbiedwaardige mensen geweest en de familielijn is meerdere keren door de tand des tijd getest door zonen die het leger in gingen, er is er altijd wel minstens een terug gekeerd, eenmaal, toen de faam van de overlevende familielijn al was gevestigd, vochten twee broers hun strijd om de erfenis uit door beide in dienst te treden, enkel een van hen keerde terug.
Nu echter woonde er nakomelingen die het rijke leven tot zich namen en genoten, wat ware kwallen van hen maakte, zichzelf beter achtend dan mensen zonder rijkdom, terwijl dat juist lieden zijn aan welke eerbied getoond mag worden, was de wereld een tikje correcter. Vandaag was schijnbaar een dag zoals ieder ander voor het dorp en voor het Dorps Huis en de inwonende. De kok was bezig een avondmaal te bereiden en de diensmeisjes maakte de vertrekken schoon. Onderwijl in de dineer zaal genoot de familie van een voortreffelijk voorgerecht, derhalve het praktisch onbeperkt schenken van wijn voor de Vrouwe en bier voor de Heer des huize. De twee dochters waren beide zo verwend dat zij bij tegenslagen met de meest absurde dreigementen zullen komen om te krijgen wat ze willen. Over het algemeen was de gehele familie een verwend zooitje arrogante erfgenamen van een veel nobeler familielijn. Zij lieten hun glazen door dienaren inschenken en hij voeten masseren en iedere vorm van hevige inspanning werd hen ontnomen.
Van alle dienaren was er één knecht die zich altijd bijzonder uit de sloffen moest werken.
‘Sirm!’ de langgerekte roep van Heer Log deed een knaap van een jaar of zeventien opschrikken van zijn plaats bij de deur en zich naar het uiteinde van de dineer tafel haasten.
‘Ja meneer?’ Vroeg de knecht zo onderdanig mogelijk, enkel naar zijn eigen voeren kijkend en zijn handen deftig op de rug.
‘Toffels, nu.’ Snauwde Log met totaal gebrek aan respect. De jonge knecht haasten zich de dineer kamer uit en de gang door en de trap op naar het privé vertrek van Heer Log, dat van Vrouwe Dimér was een kamer verder in de gang waar de trap op uitkwam. Bij beide deuren stond een gardist, in een soort soldaten uniform met een sierlijke holster voor zijn getrokken zwaard, lang en dun, dat hij met de punt op de grond liet leunen, onderdeel van de wachters houding. Toen de Knecht de trap op kwam keek de gardist hem aan en toen hij hem identificeerde liet hij via een bijna meelevend gebaar blijken dat de knecht de kamer mocht betreden. Binnen luttele tellen was hij de kamer weer uit, met een paar pantoffels in de handen. Hij haasten de trap weer af en de gang door, voor hij de deur door ging de dineer kamer in vertraagde hij zijn pas tot looppas. Ietwat gehaast betrad hij de kamer en liep naar het einde van de tafel toe. Heer Log tilde zijn voeten op. De knecht knielde en deed de pantoffels aan de voeten, een stel schoenen oprapend dat naast de stoel lagen. Hij bracht de schoenen in ietwat minder haast terug naar het privé vertrek van Heer log maar toen hij terug kwam bleek hij te lang weg geweest te zijn: log had alweer een beveel uit willen delen en had moeten wachten.
‘Stel stront, waar wassie?’ Snauwde Heer Log tegen de knecht. Deze boog het hoofd extra ver ditmaal en had zijn handen voor zich in eenzelfde manier als hij ze op zijn rug had. ‘Stel ongeluk, stomme aanbeveling, ondankbare…’ Log liet zijn tong de vrije gang en zonder dat de knecht te horen kreeg welke taak hij had moeten verrichten werd hij de kamer uit gesnauwd in de opbouwende hevigheid van de beledigingen. Op de hal aangekomen was hij zich onzeker van de juiste handeling en besloot om terug te gaan naar zijn kamer. Eenmaal daar aangekomen ging hij aan zijn bureau zitten. Het was een armoedig klein kamertje met een smal bed dat de helft van de ruimte in beslag nam, een deurloos kastje tussen het voeteinde en de muur in en een bureau tegenover het bed met daartussenin een stukje grond van één man breed en ongeveer drie man lang, iets meer dan de ruimte om met een stoel aan het bureau te kunnen zitten. Hij pakte een schrift en een balpen en stak deze in een potje inkt. Het blanco vel papier waar hij zich op richten bleef blanco voor de komende minuten, hij kon zich geen enkel waardig onderwerp bedenken om over te schrijven. Hij was een jonge poëet maar sinds hij hier werkte waren er enkel blanco bladzijdes en verfrommelde propjes naast prullenbakken geweest.
Uiteindelijk gaf hij het maar op en ging op bed liggen. Daar werd hij altijd rustig van: naar het plafond staren, vergeten dat die er is, denkend aan de knappe jongedames die ooit in zijn leven waren, toen hij nog geen zestien was. Onlangs kwam hij er nog een tegen op straat, onderweg naar zijn zwaardvechterlessen. Knap was zij nog altijd. Het zwaardvechten was een verzoek geweest van zijn ouders voor zij stierven, beide waren getroffen door ziekte. Een nobel man had de laatste wensen van de ouders overgebracht naar het weeshuis waar hij belande. Nog altijd kreeg hij lessen, het was altijd al een afwisseling geweest van de sleur, maar die sleur was pas sinds zijn zestiende zo hevig geweest, want vanaf dat punt moest hij zijn eigen geld verdienen en het was zijn zwaardvechters trainer die hem had aanbevolen bij de Dorpsheer. Destijds had het hem een nobele baan geleken om de Dorpsheer te dienen en op zijn minst was het de route naar goede, prettige opties, maar nu kwam het hem de keel uit. Hij wou het liefst dat alles weer als voorheen was maar terug kon hij niet. Een zucht ontglipte hem, vermoeidheid overkwam hem plots en hij besefte opeens hoe vermoeiend deze dag wel niet was geweest. In de ochtend moest hij de vijf honden uitlaten; een taak die niemand graag op zich nam, het waren zeer energieke, zeer eigenwijze grote honden. Daarna had hij moeten assisteren in de keuken, een allerminst prettige taak was hem gegeven: namelijk het schoon schrobben van de afwas van het servies dat bij het feestmaal van gister avond was gegeven voor enkele edele lieden van naburige dorpen. In de middag was hem een extra portie knechtmanschap tot in het ellendige gegeven en sinds de avond was dit overgegaan in datzelfde in het bijzijn van een volle dineer tafel aan familie en gasten.
Sirm besefte dat hij het erger had kunnen treffen, zeker voor een wees, maar hij zou het toch graag een stuk beter willen hebben. Raar genoeg kreeg hij de rest van de dag vrij, de Dorpsheer kon zijn gezicht voorlopig niet meer uitstaan, zo bleek het. Hij bracht zijn dag in een betere bui door alleen al doordat hij de dag vrij kreeg, los van wat hij ermee zou doen. Hij begon weer te schrijven en een prachtig gedicht begon al snel vorm te krijgen. Hij dacht terug aan de tijden met haar, vele uren hadden zij doorgebracht maar hij had haar nooit verteld wat hij voelde, zelfs al wist ze het waarschijnlijk al. Hij kreeg inspiratie tot een groots meesterwerk. Hij maakte vele aanpassingen maar uiteindelijk was hij tevreden. Het was niet erg lang, maar lengte kon niet tippen aan inhoud. Hij borg het op in zijn lade en stond op, keek uit het raam en besloot een wandeling te gaan maken, het was immers schitterend weer en de zon straalde op de heggen en het gras. Hij pakte zijn vest en schoenen, trok deze en stapte zijn kamer uit. Hij liep de gang door en de kok liep hem tegemoet.
‘Ah, Sirm, een uitstapje?’
‘Jah, ik mocht de rest van de dag vrij nemen.’ Zij hij vrolijk. De kok was een vriendelijk figuur maar een nogal onnozel type, dat weinig door had en nog minder vermoede. Van Sirm zijn overbelasting was hij zich ook niks bewust en Sirm vond dat prima en keek altijd vrolijk op als de kok voorbij kwam.

Eenmaal buiten vroeg hij zich af waar de wandeling heen zou gaan en hij keek om zich heen. Hij kon de bossen een bezoekje geven, of de weilanden, maar hij kon ook het dorp ingaan, waar hij nog maar vrij zelden kwam.
Na een verfrissende wandeling door de weide ging hij het dorp in en besloot om te kijken wat er op het plein te doen was. Er bleken wat kraampjes te staan voor verse vruchten, speeltjes voor kinderen, verse vis en er was een clowns optreden op een podium.
Sirm keek geamuseerd naar een komisch waardeloze poging om met vuurballen te jongleren, toen hij er twee handen van achter voor zijn ogen glipte.
‘Ra-ra!’ Het was een mooie jongedames stem.
‘Uhm… Ra?’ Speelde Sirm het spelletje mee, maar hij had het al lang door.
‘Fout, ukkie, het is je lieve Sana.’ Sana, dan wel niet de meid van zijn dromen, maar wel een bijzonder persoon in zijn leven. Altijd al beschouwde hij het blonde meisje als een soort lief zusje. Ze was pas veertien maar ze konden het altijd al goed vinden. Ze was ietsje gegroeid, maar toch stond hij meer dan een hoofd hoger nog als haar. Hij had haar maar heel zelden gezien, van alle bezoekjes aan het dorp had hij er maar een paar zelf kunnen uitstippelen. Haar schattige, zelfs prachtige sproeten waren nog precies eender en ze had altijd al een prachtige onschuld alsof ze met bleke wangen bloosde. Sirm draaide zich om en gaf zijn lieve Sana een knuffel.
‘Hoe is het met je?’ Vroeg hij enthousiast.
‘Goed, en het weeshuis is ook nog geen snor veranderd.’ Dat deed hem deugd te horen.
‘Hoe gaat het met Ouwe Heer, en met Falar en Jurgen?’ Hij kon zich nauwelijks beheersen.
‘Goed, goed.’ Bedaarde Sana hem, maar toen veranderde haar blijdschap in een bedroefde blik. ‘Nauja, Falar is jarig geweest he, weet je?’
Ach maar natuurlijk! De hoeveelste is het onderhand? Falar is al lang jarig geweest.
‘Ach nee,’ Bracht Sirm bedroefd uit. ‘Hijs dus al weg?’ En Sana knikte van ja. Ze knuffelde elkaar nogmaals en toen ze elkaar los lieten keek Sana Sirm diep in de ogen, maar daarna keek ze weg.
‘Hij – Hij is het leger in gegaan.’ Ze werd zeer droevig en Sirm kon het niet helpen zelf ook droevig te worden, wat een slecht nieuws.
‘Falar in het leger? Die overleefd het nog geen dag.’ Zei Sirm. Sana keek hem fel aan.
‘Zeg dat niet! Ze hebben uitstekende trainingen! Hij komt heus wel terug!’ De tranen begonnen te stromen en ze wist dat het valse hoop was. ‘Dus…’ Sana zocht een ander onderwerp. ‘Hoe is het met je? Behandeld de Dorpsheer je goed?’
‘Jah, prima.’ Zei Sirm vlug. Hij was onderhand een expert in het veinzen dat alles prima was, maar niemand kreeg zijn innerlijke gemoedstaat werkelijk te zien, zelfs zij die hij vertrouwd.
Even later stapte zij samen een café in en bestelde een drankje. Sirm besefte in het café plots dat hij helemaal geen geld bij zich had en toen Sana uiteindelijk afrekende keken mensen hem raar na toen ze het café uitstapte.
‘Phew, dat was gênant.’ Zei Sirm terwijl hij om zich heen keek, waar zouden ze nu heen gaan? Sana pakte zijn hand beet en ze sloegen op haar leiding linksaf.
‘Dus, lieve kleine Sana betaald voor dappere grote Sirmentro?’ Spotte Sana.
‘Ach, noem me toch niet zo.’
‘Hoezo niet? Zo heet je toch?’ Vroeg Sana.
‘Jah, ok, maar t’is een stomme naam.’ Sirm sloeg zijn armen over elkaar en ze liepen stilletjes verder.
‘Zo heet ik niet eens.’ Wierp Sirm na een lange tussenpauze in tegen sana’s bewering.
‘Flon, nee dat is een pracht van een naam.’ Stelde Sana. Sirm was kort voor Sirmentro, volgens Sirms Leermeester in de zwaardkunsten betekende het “Jonge Strijder”, omdat het voor een weeskind uitzonderlijk was dat die zwaardvechterlessen kreeg vanaf een jonge leeftijd en toen Sirm bedreven genoeg was gaf zijn leermeester hem de naam Sirmentro, welke al snel naar Sirm werd afgekort. Hij werd dan door de wijze ook wel eens “Jonge” genoemd, ookal is het woord voor knul of knaap anders.
Flon was de geboorte naam van Sirm, een naam die echter bijna alleen nog bij senioren voorkomt, wat het in bijna ieders mening een erg suffe, stomme naam maakt. Waar de naam vandaan komt weet niemand waar het kan best eens een mooi dier of een mooie bloem zijn geweest in een van de talen van weleer welke niet door de wijze in gebruik zijn gebleven.
Sinds Sirm zijn roepnaam kreeg heeft hij deze altijd als de zijne beschouwd, geen slechte naam en er zit een leuke spot aan.

Sirm en Sana werden van dit onderwerp afgezet toen zijn een hoek om slagen het hoofdpad door de stad heen. Er reden karren, een lange rij die aan beide uiteindes oneindig leek. De karren waren duidelijk militair, geen twijfel, zij trokken door het dorp heen. Soldaten, gekleed in Maliën en Wambuizen en dik pantser van stevige materie en bewapend met zwaarden, speren, bogen, strijdbijlen, oorlogshamers, Hellebijlen en meer liepen achter en naast de karren en in de karren lagen zonder meer enorme voorraden proviand en pijlen, maar sommige karren schenen tot koetsen te zijn omgebouwd en vervoerde waarschijnlijk hoge bevelhebbers.
‘Welke strijdlieden zijn dit?’ Vroeg Sana.
‘Hm, zo te zien van Irn, je weet wel, een van die kampen van het Rijksleger.’ Stelde Sirm.
‘Waar trekken ze heen denk je?’ Vroeg Sana.
‘Onado stad wellicht. Zij zullen zich waarschijnlijk aansluiten bij de grote strijdmacht.’ Zei Sirm. Ze keken een tijdje toe en toen viel hen iets op: ook de soldaten van de legerpost van het dorp trokken erop uit, met de Irn soldaten mee. Sirm scheen een verlangen te onderdrukken. Sana merkte het en had zo haar vermoedens, ze besloot om hem af te leiden.
‘Verrassingsaanval!’ Riep ze uit voor ze hem probeerde te verrassen. Sirm had Sana bij beide polsen voor zij hem kon bespringen,ze spartelde tegen maar Sirm had haar stevig vast. Opeens waren ze weer opgebeurd, Sana wist hen beide op de grond te krijgen maar Sirm manoeuvreerde zich bovenop haar.
Ze dwaalde nog wat door het dorp, voor een dorp was het best groot en ze kwamen aan bij een winkeltje waar ze het bestaan nog niet eens van hadden geweten, voorheen was dit gewoon deel van een woonwijk geweest maar nu stond er halverwege een winkeltje dat allerlei sieraden verkocht. Ze besloten naar binnen te gaan en meteen voelde Sirm zich weer stom, iets waar Sana nadruk op legde met de eerste opmerking die ze maakte.
‘Ooh, wil je deze voor me-‘ Ze kapte haar zin af toen ze Sirm haar aan zag staren met zijn handen in de zakken. Een zenuwlachje ontglipte haar maar beide konden ze er wel om lachen.
‘Sana, hoe is het nou echt in het weeshuis tegenwoordig?’ Vroeg Sirm terloops terwijl ze ieder hun eigen schatten bezichtigde.
‘Nou, Ouwe Heer is er mee gestopt en een chagrijn heeft zijn baan overgenomen, de sfeer is er altijd wel minder dan die eerst was, toen jij er nog was ensow.’
‘Dingen veranderen, de tijd gaat verder, mensen worden ouder en zelfs de dood is heel gewoon, ookal kan deze op persoonlijk niveau hele families uiteenrukken.’ Filosofeerde Sirm.
Een dag als onderdeel van de oneindige voortgang van tijd, snel ging deze zelfs voor mensen bewustzijn voorbij en toen een prachtige rode zonsondergang Sirm in het gezicht staarde besefte hij opeens hoe laat het al was. Zij gingen op het plein op een bankje zitten en staarde samen naar de ondergaande zon.
‘Prachtig.’ Beaamde Sana, maar Sirm had er al teveel gezien, zijn raam stond er altijd heen gericht en het was vaak rond deze tijd van de dag dat hij de tijd werd gegund om zijn literatuur te pennen, of zo eigenlijk ook gewoon ieder ander iets waar hij behoefde aan had. Het waren de zonsondergangen die hem vaak hadden geïnspireerd om iets moois te schrijven maar toch belande dat dan weer verkreukeld in de prullenbak. Achteraf vond hij zijn gedichten altijd prut, vooral sinds hij bij de Dorpsheer woonde. Zijn eigendunk was er enorm van omlaag gegaan.
‘Sana, vat dit niet persoonlijk op maar ik heb een nieuw gedicht, een dat ik liever niet tot een propje zou willen verfrommelen, dus zou ik graag willen dat jij zeg dat je hem prachtig vind.’ Zei Sirm.
‘Ik vind hem prachtig.’ Spotte Sana. Sirm gaf haar een zacht stootje met zijn elleboog in haar zei en ze begon te lachen. ‘Nou, laat maar horen dan.’
‘Ok, hier gaat ie dan,’ Hij was er best nerveus over, hij had sinds zijn intrek in zijn huidige verblijf niks meer aan een ander laten horen.

ik zing dit lied,
maar alle sterren boven water,
niet in't verschiet,
zoals nu en zoals later,
alle zeeën blijven nat
en alle stenen blijven zinken,
viel ik voor jou als een gat
daar zal ik op blijven drinken
voor altijd,
ja de zon zal blijven schijnen
nee een berg zal niet verdwijnen
en de liefde kent geen spijt,
ik zal altijd blijven dromen
over dagen nog te komen
wanneer ik jou voor mij krijg,
ik zal altijd blijven wachten
ben dicht bij jou in gedachten
weet dan toch dat ik niet zwijg,

Sana keek hem aan, Sirm wachten in spanning een mening af. Sana keek weer voor zich en toen zij hem weer aankeek en zag dat hij haar nog aanstaarde sloeg ze in de lach, maar tegelijk begon ze te blozen.
‘ok, ok, het was…’ Ze zocht het juiste woord. ‘Prachtig.’ Sirm was ontroerd, even erg als Sana was. ‘Hey, ik moet weer terug naar het weeshuis, je weet wel, zonbeleid.’ Ze knikte naar de ondergaande zon, onderhand alweer een flinke graad gekrompen onder de horizon. Ze wipte op en Sirm stond rustig op. Ze keken elkaar aan.
‘Een dame behoord niet alleen naar huis te lopen, zullen we?’ Sirm stak zijn arm naar haar uit om de hare om te slaan. Dat deed ze en ze liepen arm in arm naar het weeshuis, maar daar aangekomen begon het afscheid toch aan te dringen. Daar stonden ze weer, tegenover elkaar, Sana met haar rug naar de voordeur. Sirm gaf haar een zachtaardige kus op het voorhoofd en nam afstand, haar hand liet hij los glijden tot ook de vingertoppen elkaar verlieten en toen draaide hij zich om. In opstand tegen het afscheid besprong Sana hem en sloeg de armen om zijn nek.
‘Ga niet weg, we missen je.’ Snikte ze.
‘Verrassingsaanval?’ Vroeg Sirm, maar zijn eigen glimlach werd ook door droefenis ontdaan. ‘Je ziet me gauw genoeg weer, dat beloof ik je.’ Zei hij terwijl hij haar van zijn rug af haalde en zich weer naar haar omdraaide. Hij hurkte tot zij op hem neer keek zoals hij normaal op haar neer keek en pakte haar handen nog eenmaal beet. Ze omarmde hem zachtjes en knuffelde even voor ze het definitieve afscheid maakte, dat zich in vrijwel dezelfde manier voltrok als de vorige, maar dan zonder verassingomarming. Hij stak zijn hand op terwijl hij weg liep en zij antwoorden met een “Dag!” vanuit het diepst van haar hart en, terwijl hij zich van haar verwijderde, ook vanuit het diepst van haar longen. Wat Sirm goed had weten verborgen te houden was dat hij huilde terwijl hij weg liep. De tranen stroomde hevig over zijn wangen maar zijn silhouetten zou hij stevig houden, om het Sana niet nog zwaarder te maken. Het was ook niet alleen zijn verdriet om het afscheid van Sana maar ook om het vervliegen van de kans om “Haar”, zijn ware liefde, weer eens te zien, dat was er niet van gekomen maar stiekem hoopte Sirm dat zij zijn gedicht via Sana te horen zou krijgen, de meid had een goed geheugen.

De volgende dag werd hij wakker met een raar gevoel. Hij was kalm, veel te kalm voor de zware nachtrust die hij had gehad. Hij kon maar nauwelijks de slaap vatten en het was dan ook in de nacht geweest, wanneer hij zich het eenzaamst van al voelde, alleen in zijn bed, dat hij weer had moeten huilen. Hij stond op en zodra hij zich had aangekleed kwam het tot hem. Hij zou een dag van ellende tegemoet moeten, of hij kon er iets anders van kamen, maar dat zou de Dorpsheer wel door het lint sturen. Eigenlijk maakte Sirm dat niet veel uit zolang hij hem maar niet onder ogen hoefde te zien. Hij vroeg zich af dat als hij niet aan het werk zou gaan vandaag wat hij dan zou doen. Hij zou natuurlijk de hele dag weg moeten blijven wilde hij zijn straf de hele dag kunnen ontlopen, maar hem uiteindelijk onder ogen zien stond hem ook niet aan.
Opeens besefte hij het: hij zou vroeg of laat zijn ontslag innen, dus waarom dan niet vandaag? Het was drastisch maar hij had er een onlogisch kalme vrede mee. Hij pakte in wat hij niet achter wilde laten, de dingen die hij met zekerheid uit dit huis wilde meenemen en stapte zijn kamer uit en naar het privé vertrek van de Dorpsheer. Daar aangekomen twijfelde bij het aankloppen, maar de gardisten keken hem raar aan en hij klopte toch maar.
‘Wie?’ Riep Log met een knorrige, slaperige stem.
‘Sirm – Sirmentro!’ Hij had getwijfeld hoe hij het aan zou pakken maar hij besloot om zich in de schoenen te schuiven van zijn volle naam. Hij stelde zich Sirmentro altijd voor als een meer volwassen, mannelijkere vorm van zichzelf en het was wel eens tijd om die vorm aan te nemen, hij was niet van plan zich nog langer door deze slavendrijver te laten bevelen.
‘Wat motjuh?’ Zei de Dorpsheer bot als altijd tegen hem.
‘In eerste instantie zou ik graag binnen treden.’Zei Sirm zo robuust als maar mogelijk.
‘Nou, schiet op dan!’ Brulde Log. Sirm stapte naar binnen en zag Log in zijn nachtjas en pantoffels.
‘Heer Log, Dorpsheer.’ Hij probeerde op dit punt sterk te blijven maar tegelijk ging hij onbeholpen voor de nederige aanpak. ‘Ik kom mijn ontslag indienen.’ Zei hij met een zachter stemmetje.
‘Je ontslag? Nou rot op dan.’ Zei Log met een geïrriteerde, teleurgestelde stem alsof hij zichzelf vertelde dat het altijd hetzelfde liedje was. Het ging Sirm eigenlijk verrassend goed af en hij vertrok zonder meer ophef. Hij wist nog niet zeker wat zijn nieuw doel zou zijn maar hij had een vermoeden, hoervoor wilde hij eerst zijn Leermeester een bezoek bezorgen. Hij had morgen pas weer les maar dat zou nu niet doorgaan, nooit meer zelfs, hoe onbehaaglijk doe gedachten hem ook maakte.
Hij stond binnen een kwartiertje voor de deur van de Leerschool voor zwaardvechten en klopte aan. Het duurde even voor er antwoord kwam maar Sirm was een geduldige knul en besefte dat er binnen waarschijnlijk een hoop dingen gebeurde die niet direct te onderbreken vallen. Toen de deur open ging was het Yanurn, de assistent van de Leermeester.
‘Sirmentro, kom binnen.’ Yanurn was verrast maar verrukt om Sirm te zien. Binnen gingen zij naar de training zaal: een holle ruimte met een hoop spullen aan en tegen de muur: wapens en oefen wapens, beschermende kledingstukken, een aantal onderscheidingen in duur hout en er stond een kledingpaal met de volledige uitrusting van een zwaardkrijger van dit dorp, een zeer indrukwekkend harnas.
Nog voor de assistent de Leermeester was gaan halen kwam deze om de hoek kijken.
‘Ah, Sirmentro, mijn waardevolle leerling, is het al zover?’ De man was een jaar of zestig maar nog in top conditie. Zijn witte haar zat in een staart een stukje omhoog, vanwaar deze recht omlaag hing tot net lager dan de schouderbladen. Zijn uitrusting was basis oefen kleding: licht en wendbaar.
‘Nee, morgen pas is mijn training,’ Hij twijfelde even wat hij hier achteraan zou plakken. ‘Maar… Leermeester Tobla,’ Hij wilde het hem vertellen maar wist de woorden niet.
‘Nee, dat is ook niet wat ik bedoel.’ Zei de Leermeester. Opeens keek Sirm op uit zijn gepeins en besefte dat zijn leermeester misschien gelijk al besefte waar hij voor kwam, wat hij wilde gaan doen. ‘Sirmentro, je bent een strijder, jij maakt je naam waar, maar voor je ze achterna ga is er iets dat ik je wil geven, het was van je ouders, van je vader als ik mij niet vergis.’ Leermeester Tobla liep de kamer uit en Sirmentro stond als aan de grond gespijkerd. Wat kon dit iets zijn dan? Wat bewaarde zijn Leermeester al die jaren al voor hem?
Het duurde even, maar na de eeuwigheid die verstreek kwam Leermeester Tobla terug met een doek waar iets langwerpigs was gewikkeld. Sirmentro besefte het direct: Het was een zwaard. Volgens traditie mag enkel de eigenaar van een zwaard deze hanteren, of hij of zij aan wie de eigenaar deze verleend. De uitzondering is een wapen verkregen tijdens de strijd, bij leven en dood moet iedere strijder zich kunnen bewapenen met wat er te vinden of veroveren is. Maar in tijden of omstandigheden van vrede, zonder naderend gevaar, is het van meest edele zaken dat een vervoerder of bewaarder van een zwaard deze zo vlug mogelijk in een doek wikkelt en deze omwikkeld houd tot de eigenaar ervan het doek verwijdert.
Sirm keek zijn Leermeester aan met verbijstering en toen hem de doek werd aangeboden nam hij deze met eerbied aan. Hij pakte de punt van de doek die uitstak en rolde deze uit, hij had gelijk. In een gouden schede stak een Zilveren kling en eruit stak een Gouden handvat dat naadloos op de schede aansloot, maar bezet met enkele edelstenen.
‘Sirmentro, ik overhandig jou Johtah, een oud zwaard, maar nog in top conditie. In de oude taal betekende dit Scherp Blad. Het heeft vele generaties tot jou familie behoort en nu weer beland het bij zijn erfgenaam. De Grogan zijn legendarisch voor hun zwaarden zo scherp dat ze de bladen van andere zwaarden af kunnen hakken, dat is vaak genoeg bewezen, maar naar de legende van dit zwaard is Johtah nog scherper dan dat. Strijd heeft het meegemaakt, maar zijn kwaliteit is zo hoog dat het zonder schade of slijtage er uit is gekomen, het is een zwaard der zwaarden.’ Nu was Sirm helemaal van slag, hoe kon hij dit ooit aannemen? Maar het was van zijn vader geweest en ook nog van zijn opa en overgroot opa en nog veel verder kon hij zich zeer goed voorstellen.
‘Leermeester Tobla, u bent een wijze man met een groots verleden, zonder twijfel. U hebt dit al die tijd bij u gehad, wellicht doet u het zwaard meer eer aan dan ik, een wees nota bene, maar u bied het mij en ik heb nog in geen honderd jaar het lef om het te weigeren.’
‘Mooi zo, je zult het nodig hebben waar ze jou zullen leiden. Als je nu ga haal je ze wellicht nog in voor de avond.’ Sirm knikte van ja en maakte een eerbiedige buiging met het zwaard uit de schede en in de hand met de punt tegen de grond.
‘Dan zal ik nu gaan, geen verdere afscheiden.’ Sirm dacht terug aan gisteravond, verdriet welde weer op maar hij verdrong het. Hij draaide zich om maar terwijl hij de kamer uit wilde lopen barste er iets in zijn hart en de tranen begonnen te stromen.
‘U bent altijd als een soort vader voor mij geweest.’ Zei hij bedroefd, onderwijl snikkend.
‘Flon, wellicht zullen wij elkaar sneller weerzien dan jij je voor zou stellen, niet te min is dit een bitter afscheid voor ons beide en voor jou natuurlijk een afscheid aan veel meer dan alleen aan mij, want er zijn zoveel mensen waar je geen afscheid van zult nemen en wellicht nimmer weer zult zien.’
Sirm draaide zich om naar zijn Leermeester, deze straalde een warme vriendelijkheid uit en Sirm kon zich niet bedwingen. Hij vloog in de armen van zijn Leermeester, zijn vader figuur en liet zijn toch al onbedwingbare tranen de vrije loop. Na zo ongeveer tien minuten was hij enkel nog aan het snikken en na een warme troost amen zij werkelijk afscheid, het was bitter maar nodig geweest. Hij had van zijn Leermeester een strijders uniform gekregen, van Kas topconditie en had de basis onderdelen aangetrokken en de rest aan zijn tas geknoopt. Hij droeg het zwaard nu aan zijn heup maar liet deze in zijn schede rusten. Eindelijk, hij ging op pad. Hopelijk kon hij de karren inhalen voor de dag om was. Hij was nog wat troosteloos van zijn dag vol afscheid maar hij had het merendeel van zich af weten te zetten. Nu maakte hij goede voortgang over het pad naar Onado, De hoofdstad van het Rijk. De strijders van Onado stad waren groots, edel en moedig. Ja, de strijdmacht van Onado stad was zeker de sterkste van het Rijk.
Het pad was een belangrijke route dus werd deze goed onderhouden en was dus goed begaanbaar. Sirm was licht beladen, als hij het Irm leger in zou halen hoefde hij zich daarna vast niet meer of minder om zijn proviand zorgen te maken dan de rest van het leger. Hij trok door een bos heen, rustig maar roerig en enkele uren later, even nadat hij een grasvlakte had bereikt had hij gepauzeerd. De drinkfles was niet erg koel meer, het was ook een best warme dag. Hij had echter wel een redelijke maaltijd weten te maken uit gedroogd vlees en wegbrood, plus een appel die hij in het bos had geplukt, er zaten er nog een paar in zijn tas. Hij zat in de schaduw van een boom enkele meters van de weg, het tafereel reflecteerde zijn idee van een ideale picknick, alleen dan was hij niet alleen geweest, was zij maar bij hem. Nu begon hij het weer jammer te vinden dat hij haar niet een laatste bezoek had geschonken, hij miste haar glimlach. Op pad dan maar weer, moge de grond zijn droevige gedachtes absorberen. Hij zette er flink de looppas in en hij genoot van de omgeving. De meeste slechte gedachtes vervlogen en hij begon zich verlost te voelen. Tuurlijk, hij liet een hoop mooie dingen achter, maar eindelijk: voor het eerst sinds hij de veiligheid van het nest verliet, ging hij doen wat hij echt wilde doen. Hij liep voor het eerst zijn toekomst tegemoet. Hij keek eenmaal achterom. De zon stond aan de horizon, met prachtige roze wolkenflarden erboven. Daarginds, achter een prachtige horizon, lag alles wat hij ooit had gekend. Zijn thuis, zijn vrienden, de dorpstraten, zijn leermeester en natuurlijk… Al was het maar een korte glimp geweest, het was het waard geweest. Maargoed, de zon ging onder zoals een hoofdstuk van zijn leven ten einde was gekomen, en morgen begon het volgende hoofdstuk, morgen kwam er een nieuwe zon op en die lag voor hem uit, die nieuwe zon ging hij tegemoet.

Profiel bekijken http://sirmentro.hyves.nl/

Terug naar boven  Bericht [Pagina 1 van 1]

Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum